Belastingdienst creëert onrechtmatige situatie

28-12-2021

Bij de aankondiging en publicatie van de Belangrijkste wijzigingen belastingen 2022 geeft de belastingdienst aan daarmee als doel te hebben ‘knelpunten bij de import van gebruikte motorrijtuigen op te lossen.’ Zonder daarbij aan te geven wat die knelpunten precies zijn, roept de nadere toelichting en uitleg echter veel onbeantwoorde vragen op. De import van schadeauto’s wordt nagenoeg onmogelijk gemaakt maar ook de reguliere import wordt benadeeld.

‘De uitwerking geeft eerder blijk van het doel voorbij te schieten’, aldus importdienstverlener en taxateur Frank Bolsenbroek van Bolsenbroek & Partners. Volgens hem gaat het om een nadrukkelijke bevoordeling van de binnenlandse handel die strijdig is met de beginselen van het vrije handelsverkeer binnen de EU. In die zin zou sprake kunnen zijn van onrechtmatige wetgeving. De grootste wijziging voor de praktijk ziet op het naar voren halen van het moment waarop de verschuldigde bpm wordt bepaald, het zogenaamde ‘belastbaar feit’. Dit moment was tot 1 januari de dag van de tenaamstelling en daarmee de aanvang van het gebruik op de weg. Dit moment is nu gewijzigd naar het moment waarop de RDW het inschrijvingsonderzoek afsluit. De gepubliceerde wijzigingen geven aan dat de precieze datum hiervan te vinden is op ovi.rdw.nl. Bolsenbroek ziet hier een eerste onmogelijkheid: ‘Die datum wordt nu als nogal exact geduid. Je kúnt die datum echter pas terugvinden nadat de inschrijving geheel is voltooid en het kentekennummer bekend is. Dat kan niet eerder dan nadat je de bpm hebt voldaan. Op het moment dat je bpm-aangifte doet is die datum dus eenvoudigweg niet bekend. In de praktijk zal de aangifte en de daarmee samenhangende afschrijving worden bepaald rond het moment dat de auto ter inschrijving bij de RDW wordt aangemeld. Dat was altijd al zo, alleen het moment van bpm-betaling en daarmee voltooiing van de inschrijving en afgifte van het kenteken mocht tot 31 december 2021 tot een jaar na inschrijving. Voor de dagelijkse praktijk vanaf 1 januari 2022 zullen we adviseren bij inschrijving bpm-aangifte te doen én deze ook te betalen. Het lijkt mij onmogelijk dat een niet exact te bepalen RDW-datum leidt tot een ongeldige aangifte.’

Inschrijf- en betaalmoment
De belastingdienst doorkruist hiermee de mogelijkheid dat aanspraak gemaakt kan worden op de extra bpm-afschrijving tussen het inschrijfmoment en het bpm-betaalmoment. Deze mogelijkheid leidde tot veel bezwaren tegen de eerdere eigen aangifte. Bolsenbroek betwijfelt ten zeerste of het scala aan nieuwe regels zal leiden tot minder bezwaren. ‘Integendeel’ voorspelt hij; ‘Ik voorzie dat importeurs vanaf nu júist bezwaar zullen maken tegen iédere bpm-aangifte. Zeker als ik lees wat de overige aankondigingen inhouden. Het is weer typisch zo’n situatie van “voor iedere oplossing bedenken we een nieuw probleem” van de zijde van de fiscus. Je snapt niet waar ze het vandaan halen. Doorlopend zorgen ze voor onrust en daarmee ook woede onder importeurs. Er worden doelbewust nieuwe knelpunten gecreëerd die contraproductief zullen werken voor de belastingdienst en de al zo zeer overbelaste rechtspraak.

Schadeauto’s
Een volgend groot probleem voorziet Bolsenbroek bij de invoer van schadeauto’s. Al sinds 2005 ervaart hij een heilloze strijd door de belastingdienst tegen de, in de ogen van de belastingdienst te lage rest bpm-aangifte bij de invoer van schadevoertuigen. ‘Door nu af te dwingen dat een schadeauto bij inschrijving geen essentiële gebreken (meer) mag hebben, wordt de handel in binnenlandse schadevoertuigen onmiskenbaar bevoordeeld. De bpm-component op een binnenlands geregistreerde schadeauto is immers eveneens evenredig met de schade afgeschreven. De invoer van schadeauto’s is daarmee niet langer interessant. Ik veronderstel dat de Europese commissie daar heel snel korte metten mee weet te maken. Intussen veroorzaakt deze inperking natuurlijk weer heel veel schade in de schadevoertuigenbranche. Dat maakt dan ook dat, waar er nog schadeauto’s worden ingevoerd, standaard bezwaar zal worden gemaakt. Bolsenbroek adviseert zijn klanten om, in ieder geval voor de recent gedane aankopen, de bpm-aangifte met taxatierapport op de oude wijze te handhaven. De wijziging lijkt voor die situatie aan te kondigen dat de bpm-aangifte als “evident onjuist” zal worden afgedaan en met een verplicht te betalen naheffingsaanslag zal worden gecorrigeerd op straffe van weigering van afgifte van het kenteken. ‘Het kan niet anders dan dat (na)heffingen in bezwaar- en beroepszaken op basis van Europees recht niet in stand worden gelaten. De in oktober jl. herschreven hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen gaan daar niets aan afdoen. Door in de laatste weken van het lopende jaar, zonder overgangsregeling, met onmiddellijke ingang op heimelijke wijze deze vergaande wijzigingen door te drukken, betonen zowel de RDW als de belastingdienst zich een onbetrouwbare partner voor ondernemers in deze branche. Er worden weer massaal nieuwe procedures uitgelokt; een andere conclusie valt niet te trekken. En dat doen ze tegen beter weten in en met minachting voor de al zo zeer overbelaste rechtspraak.’ Aldus een getergde Bolsenbroek.

Hertaxatie Domeinen
Wanneer bpm-aangifte met een taxatierapport wordt gedaan, heeft de inspecteur de mogelijkheid deze te laten controleren door middel van een hertaxatie door Domeinen Roerende Zaken. De termijn van zes dagen die hier altijd al voor stond is met de wijziging in relatie tot de publicatiedatum lastig, zo niet onmogelijk uitvoerbaar. Ook wordt de oproep gekoppeld aan een verplichting tot tonen bij Domeinen. De inspecteur geeft eerder geen fiscaal akkoord. ‘Onmogelijk’ stelt Bolsenbroek; ‘maar het zal voorlopig de praktijk zijn totdat de rechter er wat over zegt. De aangifte moet altijd worden gevolgd en de inspecteur heeft daarbij het instrument om bpm na te heffen. Weigeren van de aangifte past niet in het systeem van aangifte belasting.’

Tot 2009 was het zogenaamde ‘prematuur naheffen’ gebruikelijk in de bpm. Het Gerechtshof Den Bosch heeft op 29 mei 2009 daarover al geoordeeld in de zin van dat het niet mogelijk is. De toenmalige staatssecretaris stelde daartegen cassatie in om die vervolgens weer in te trekken. Die berusting wordt nu, na 13 jaar, weer doorbroken waarna die discussie weer van voor af aan begint. Volgens Bolsenbroek is dit ‘niet echt een toonbeeld van een betrouwbare overheid’.

Bolsenbroek betreurt het feit dat de belastingdienst op geen enkele manier praktijkinvulling lijkt te willen geven aan ook haar zorgen omtrent een door bpm-procedures verstoppende rechtspraak. Hij voorziet een enorm aantal kansrijke procedures tegen de nieuwe praktijk.

Meer informatie:
Download Persbericht met bronnen en verwijzingen

Kom in contact

Zoek in alle berichten